201708.12
1

Uitstel van betaling afdwingbaar via belastingrechter ?

Wanneer de Belastingdienst een aanslag oplegt moet die in beginsel betaald worden. Een bezwaarschrift of een beroepschrift heeft geen schorsende werking. De praktijk is dat de Belastingdienst uitstel van betaling verleent tot het bestreden bedrag, maar dat is niet altijd het geval. Met name bij ondernemingen komt dat voor, particulieren krijgen sneller uitstel. In die situaties kan door de betrokken onderneming weliswaar administratief beroep worden ingesteld tegen een besluit van de ontvanger om geen uitstel te verlenen, maar de praktijk leert dat dit vrij kansloos is als er geen afdoende zekerheden gesteld kunnen worden. Wanneer de invordering dan toch wordt doorgezet, komt de continuïteit van de onderneming in gevaar. Crediteuren haken af en de spanning neemt toe. De fiscale voorzieningenrechter van de rechtbank of het gerechtshof kan dan helpen, maar let op voor kortsluiting.

Aanslag schorsen of uitstel van betaling

Indien de ontvanger uitstel van betaling niet wil verlenen, dan ligt het voor de hand om eerst administratief beroep aan te tekenen bij de directeur (medewerker Belastingdienst Utrecht). Dat kan werken als de ontvanger in strijd met de Leidraad Invordering handelt of als blijkt dat zijn uitstelbesluit niet goed is voorbereid. De ontvanger is verplicht de in te vorderen aanslag zelf te beoordelen op houdbaarheid. Normaal gesproken wordt wel uitstel van betaling verleend als er een tijdelijk liquiditeitsprobleem is en de onderneming verder solvabel en levensvatbaar is. Bij zeer hoge aanslagen over meerdere jaren is dat uiteraard – met name in het MKB – niet altijd het geval.

Als de betalingsverplichting dan niet door de Belastingdienst uitgesteld wordt, is de rechter aan de beurt om te oordelen. Dat kan via een verzoek om een voorlopige voorziening. Het moet dan wel gaan om een spoedeisende situatie die vraagt om zo’n voorziening en tegelijkertijd moet een aanvang gemaakt zijn met de bestrijding van de belastingaanslag in bezwaar of beroep. Dat is het zogenoemde connexiteitsvereiste.

Maar bij welke rechter moet de voorlopige voorziening gevraagd worden en hoe?

Bij de keuze voor de civiele of fiscale voorzieningenrechter is het oppassen geblazen. Het zou mooi zijn als de fiscale rechter altijd zou kunnen oordelen over zowel de belastingaanslag als de invordering. Hoofdregel is echter dat de civiele rechter de (onrechtmatigheid van) invorderingsbesluiten behandelt, ook al is dit verweven met de vraag of de belastingaanslag wel stand zal houden in een bezwaar- of beroepsprocedure. Toch hoeft het verzoek om betalingsuitstel niet altijd aan de civiele rechter voorgelegd te worden.

Onder omstandigheden kan voor betalingsuitstel bij de fiscale rechter aangeklopt worden

Het is in veel gevallen gewenst om toch een oordeel te vragen aan de fiscale rechter omdat voor de fiscale rechtsgang geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat is vereist en voor de civiele rechter in beginsel wel. Daarbij komt dat een civiele rechter minder snel de houdbaarheid van een aanslag kan doorgronden dan een fiscale rechter.

De civiele kamer van de Hoge Raad heeft op 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:192, in overweging 3.6 geoordeeld dat altijd de fiscale rechter bevoegd is:

Voor het verlenen van uitstel van betaling kent de Invorderingswet een afzonderlijke regeling (art. 25 Iw 1990), bij toepassing waarvan de belastingrechter de bevoegde rechter is. Het verlenen van uitstel van betaling door de burgerlijke rechter in het kader van een verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel zou het stelsel van de Invorderingswet onaanvaardbaar doorkruisen’

Dat is niet helemaal juist. Strikt genomen – gezien het wettelijk gesloten stelsel van bezwaar en beroep in belastingzaken – is de belastingrechter niet bevoegd om te oordelen over uitstelbeschikkingen tenzij het betreft inkomstenbelasting:

  • ter zake van stakingswinst die bestemd is voor herinvestering in een andere onderneming;
  • inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken;
  • inzake winst uit aanmerkelijk belang;
  • wegens beëindiging van een terbeschikkingstelling van een zaak;
  • inzake staking en overbrenging van de ondernemingswoning naar het privé-vermogen;
  • inzake winst bij staking door overlijden;
  • inzake winst behaald door overdracht van een onderneming aan een natuurlijk persoon die de overdrachtsprijs schuldig is gebleven;

Hetzelfde geldt voor exitheffingen in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting en voor schenk- en erfbelasting bij bedrijfsopvolging. Dit is bevestigd door de belastingkamer van de Hoge Raad in het arrest van 2 december 2016, ECL:NL:HR:2016:2735.

Voor alle andere uitstelbesluiten en voorkoming van invorderingsmaatregelen moet daarom aangeklopt worden bij de civiele voorzieningenrechter. Zoals gezegd is dat om meerdere redenen een lastige zaak.

Er is echter een andere mogelijkheid. De fiscale voorzieningenrechter kan de werking van een aanslag schorsen. En een geschorste aanslag kan niet ingevorderd worden. Zo kan feitelijk een verzoek om uitstel van betaling worden gedaan aan de fiscale voorzieningenrechter. Bij een geschorste aanslag is immers geen directe betalingsverplichting. In theorie kan zelfs nog verdedigd worden dat er dan ook geen invorderingsrente berekend kan worden. Wel is het zo dat wanneer een geschorste aanslag toch onherroepelijk wordt, de aanslag geacht wordt vanaf datum aanslag te bestaan. Hoe het ook zij, een geschorste aanslag is iets anders dan een uitstelbeschikking.

Een geschorste aanslag kan niet ingevorderd worden

Het is daarom in de meeste gevallen wenselijk om zich te richten op de schorsing van de aanslag zelf als er geen uitstel van betaling wordt verleend hangende een bezwaar- en beroepsprocedure.

In situaties dat er nog geen aanslag is, maar wel sprake is van invorderingsmaatregelen is deze route niet mogelijk. De civiele voorzieningenrechter (kort geding) blijft dan bevoegd. Dat is het geval bij conservatoire invorderingsmaatregelen die per definitie worden genomen voordat een aanslag wordt vastgesteld.

Casus 1

Naar aanleiding van een boekenonderzoek wordt een reeks aanslagen opgelegd. De onderneming heeft weinig reserves, terwijl op papier de orderportefeuille goed is gevuld. De belastingadviseur tekent pro-forma bezwaar aan. Toch verleent de ontvanger geen uitstel van betaling. Er ligt al een aanmaning en een dwangbevel op de mat. Dit moet snel opgelost worden. Er is een spoedeisend belang omdat de reserves nodig zijn voor loonbetalingen en financiering door een bank niet op korte termijn gerealiseerd kan worden

In dit geval kan hangende de bezwaarprocedure een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend bij de fiscale voorzieningenrechter die bevoegd zou zijn inzake een (eventueel) beroep tegen de desbetreffende aanslag. Er geldt geen termijn voor de indiening van het verzoek. Wel moet uiteraard rekening gehouden worden met het hiervóór genoemde connexiteitsvereiste. Dus eerst bezwaarschrift tijdig indienen en pas daarna een verzoek om een voorlopige voorziening.

Dat werkt als volgt:

  • het verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de eisen van een beroepschrift.
    • het verzoek wordt ingediend bij de bevoegde rechtbank in Noord-Nederland, Oost-Nederland, Noord-Holland, Den Haag of Zeeland-West-Brabant, afdeling bestuursrecht, team belastingen.
    • het gedagtekende verzoek bevat naam en adres van belanghebbende en een omschrijving van de aanslag (kopie bijvoegen).
    • in het verzoekschrift wordt gemotiveerd aangegeven waarom sprake is van een spoedeisend belang en dat er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (connexiteitsvereiste, kopie bijvoegen).
    • In het verzoekschrift wordt tenslotte gevraagd om schorsing van de aanslag
  • indien vóór de zitting bij de voorzieningenrechter de bezwaarprocedure of beroepsprocedure in eerste aanleg eindigt, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep of hoger beroep in te stellen. Daarmee blijft de vereiste connexiteit in stand en kan de zitting bij de voorzieningenrechter doorgaan.
  • er wordt griffierecht geheven naar het tarief dat geldt voor een beroepschrift. Het griffierecht moet snel betaald worden (2 weken of korter) op straffe van niet-ontvankelijkheid.
  • de rechtbank plant op korte termijn een zitting en verzamelt alle stukken. Eventueel kunnen getuigen en deskundigen worden opgeroepen.
  • de voorzieningenrechter doet zo spoedig mogelijk uitspraak. Een gehele of gedeeltelijke toewijzing van de voorlopige voorziening is altijd tijdelijk.

Casus 2

Als casus 1, maar nu heeft de ontvanger conservatoir beslag gelegd (per definitie bij verrassing) op de beperkte reserves van de onderneming en op een vordering van de onderneming op een grote debiteur. Om de relatie met de debiteur niet te verstoren wordt toch een aanzienlijk bedrag betaald aan de ontvanger nadat de aanslag is opgelegd, maar daarmee is het liquiditeitsprobleem alleen maar groter geworden. Ook hier kan weliswaar verzocht worden om schorsing van de aanslag, maar de vraag is vervolgens of daarmee ook bij wijze van voorlopige voorziening een eerdere invordering teruggedraaid kan worden. In beginsel is de voorzieningenrechter vrij om iedere voorziening te treffen, mits deze realiseerbaar is en niet onomkeerbaar. Het moet immers gaan om een tijdelijke voorziening.


Als het water hoog aan de lippen staat is het wellicht zinvol om dan de voorzieningenrechter te vragen om direct uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dat wordt kortsluiting genoemd. Mogelijk werkt dat bij een duidelijk uit de lucht gegrepen aanslag, maar een voorlopige voorzieningsprocedure is meestal niet geschikt om snel uitspraak in de hoofdzaak af te dwingen.

Pas dus op met kortsluiting ! Het was in deze casus beter geweest om te wachten met betalen en eerst via een voorlopige voorziening de schorsing van de aanslag te vragen. Overigens kan de voorzieningenrechter ook zelfstandig – zonder expliciet verzoek – besluiten de hoofdzaak direct af te doen.

Casus 3

Inmiddels heeft de ondernemer in casus 2 een beroepsprocedure gewonnen, terwijl er wel eerder een fors bedrag betaald is op de aanslag. De rechtbank heeft weliswaar de aanslag vernietigd, maar de Belastingdienst tekent hoger beroep aan. Door het hoger beroep wordt de uitspraak van de rechtbank geschorst, waardoor de achterliggende aanslag in stand blijft (art. 8:106 Awb). De ontvanger hoeft het eerder betaalde bedrag nog niet terug te betalen en in theorie kan de invordering van de gehele aanslag doorgaan. Het liquiditeitsprobleem is echter in de tijd nog nijpender geworden. De ondernemer wil het eerder betaalde bedrag alvast terugvorderen

Hier kan de zaak anders liggen dan in casus 2. De rechtbank heeft immers al een weloverwogen oordeel geveld in de hoofdzaak. Indien de Belastingdienst in het hoger beroep niet met nieuwe feiten of met nieuwe bewijzen van eerder gestelde feiten komt, kan het wel degelijk zinvol zijn om aan te sturen op kortsluiting. De weg daar naartoe is uiteraard het verzoek om een voorlopige voorziening, dit keer bij de voorzieningenrechter van de belastingkamer van het gerechtshof.

In die voorziening moet worden gevraagd om schorsing van de aanslag, ook al heeft dat geen praktische betekenis omdat de ontvanger in deze fase geen nieuwe invorderingsmaatregelen zal nemen. Indien dan daarnaast verzocht wordt om het terugdraaien van eerdere invorderingsmaatregelen kan de voorzieningenrechter – in dit geval het Gerechtshof – besluiten direct uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dit laatste past ook in de veel geziene praktijk dat de belastingkamer van gerechtshoven aansluit bij de rechtsgang in eerste instantie voor wat betreft de vaststelling van de feiten. Een ‘echte’ tweede feitelijke behandeling in de hoofdzaak is er dan niet.

Conclusie

Indien de ontvanger, ook na administratief beroep, niet meewerkt aan uitstel van betaling kan dit toch worden afgedwongen door middel van een voorlopige voorziening.

De hoofdregel is dat dit alleen kan bij de civiele voorzieningenrechter (kort geding), maar als er een bezwaar of beroep loopt tegen een aanslag dan kan via een schorsingsverzoek aan de fiscale voorzieningenrechter hetzelfde bereikt worden.

Dit wordt lastiger als er al invorderingsmaatregelen zijn geweest die hebben geleid tot betaling en afboeking op de aanslag. Het kan dan toch zinvol zijn om een voorlopige voorziening te vragen die kan leiden tot een directe uitspraak in de hoofdzaak waardoor de aanslag sneller onherroepelijk vernietigd kan worden. Zo’n versnelde behandeling brengt uiteraard ook beoordelingsrisico’s met zich mee, maar is zeker te overwegen als de belastingaanslag in eerste instantie met een uitgebreid gemotiveerde uitspraak van de rechtbank is vernietigd, terwijl de Belastingdienst in hoger beroep gaat. Nieuwe kansen voor kortsluiting, maar soms is het beter toch maar af te wachten.