201812.04
0

IMMATERIËLE SCHADEVERGOEDING DOOR BELASTINGDIENST

Belastingheffing kan tot spanning en frustratie leiden als er discussie ontstaat met de fiscus. Dat is zeker het geval  als die discussie jaren duurt. Soms is de Belastingdienst daarom schadeplichtig. Hier leest u hoe dat zit.

Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Dat is de letterlijke tekst van het vervallen artikel 8:73 lid 1 Awb.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) in werking getreden. Daarmee werd beoogd de schadevergoeding bij onrechtmatig overheidshandelen te stroomlijnen. De nieuwe wetgeving (artikel 8:88 e.v. Awb) is echter beperkt van toepassing op belastingzaken, namelijk alleen voor de vennootschapsbelasting. Dat betekent dat de fiscale praktijk, voor wat betreft de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn bij behandeling van bezwaar en beroep, voorlopig te maken heeft met het formeel vervallen artikel 8:73 Awb. Dat is geregeld in het overgangsrecht van de Wns.

Een bezwaar- en beroepsprocedure kan door allerlei oorzaken dermate lang duren dat de rechtszekerheid in het geding is. Artikel 6 van het EVRM schrijft voor dat een ieder recht heeft op behandeling  van zijn zaak binnen een redelijke termijn. In Nederland biedt daarvoor genoemd artikel 8:73 Awb het aanknopingspunt en kan overigens aansluiting gezocht worden bij de jurisprudentie rond artikel 6 EVRM. Uitgangspunt is dat bij overschrijding van de redelijke termijn immateriële schade wordt geleden door belanghebbende in de vorm van spanning en frustratie. Dat neemt niet weg dat er ook andere schade kan zijn. Artikel 8:73 Awb is ook daarvoor geschreven. In dit artikel beperk ik mij echter tot de immateriële schade wegens overschrijding van een redelijke behandeltermijn.

Wanneer is sprake van overschrijding van de redelijke termijn?

De Hoge Raad heeft een aantal regels gegeven om te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden.

De redelijke behandeltermijn voor bezwaar en beroep in eerste aanleg (rechtbank) is maximaal twee jaar. In deze termijn is de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op het moment dat de Belastingdienst een bezwaarschrift ontvangt.  De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet inzake het oorspronkelijke geschil. Als tevens een verzoek om schadevergoeding is gedaan dat separaat wordt behandeld, telt de termijn tussen de uitspraak inzake het oorspronkelijke geschil en de uitspraak op het verzoek om schadevergoeding niet mee.

Wanneer de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond verklaard, kan de rechtbank afzien van een onderzoek ter zitting. Hetzelfde geldt als de bestuursrechter zich niet bevoegd acht om de zaak te behandelen. Partijen kunnen daartegen in verzet komen bij de rechtbank. Eventuele verzetsprocedures zijn in de termijn voor zowel de rechtbank als het gerechtshof inbegrepen.

Voor een opvolgend beroep in tweede aanleg (gerechtshof) geldt twee jaar na het moment dat hoger beroep is ingesteld als de grens voor de redelijke behandeltermijn. Hetzelfde geldt voor beroep in cassatie bij de Hoge Raad. Wordt de zaak door de Hoge Raad doorverwezen, dan moet het gerechtshof binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad uitspraak doen.

Als sprake is van bijzondere omstandigheden kan de behandeltermijn in eerste en tweede aanleg en in cassatie worden verlengd. Bijzondere omstandigheden kunnen bijvoorbeeld zijn de complexiteit van een zaak of de invloed van belanghebbende op het proces. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval als herhaaldelijk door belanghebbende om verlenging van termijnen of uitstel van zittingen wordt gevraagd.

De termijn gedurende welke prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie, telt overigens niet mee. De termijn die hierdoor buiten beschouwing blijft, vangt aan op de dag na verzending van de verwijzingsuitspraak of het schriftelijk informeren van partijen dat de zaak wordt aangehouden en eindigt op de dag dat de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie openbaar wordt gemaakt.

Kan belanghebbende zelf de overschrijding van de redelijke termijn voorkomen?

Zoals gezegd zal het bewust vertragen van de behandeling door belanghebbende aan hem worden toegerekend. Andersom hoeft belanghebbende niet aan te dringen op een vlotte behandeling. Wanneer hij op dit punt afwachtend is, verspeelt hij niet het recht op schadevergoeding wegens overschrijding van redelijke behandeltermijn. Overigens heeft belanghebbende wel de mogelijkheid om de inspecteur in gebreke te stellen bij het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (en daarbij een dwangsom vragen). Als dat niet helpt kan hij rechtstreeks in beroep gaan. Als hij dat niet doet kan dat hem echter niet worden tegengeworpen bij de discussie over de redelijke behandeltermijn. De volgende casus illustreert dat:

A heeft op 31 maart 2010 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en beschikking. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 1 april 2010.
Op 26 mei 2014 heeft A de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Nadien heeft A beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.
Hangende het beroep heeft de Inspecteur op 18 december 2014 uitspraken op bezwaar gedaan.
De Rechtbank heeft op 22 januari 2015 uitspraak gedaan en het beroep van A gegrond verklaard. De Belastingdienst gaat on hoger beroep.
In het incidentele hoger beroep heeft A een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding van geleden immateriële schade. De procedure had 4 jaar en 10 manden geduurd.
Het Hof heeft vervolgens van de totale behandelingsduur een tijdsverloop van circa twee jaar en elf maanden aan A toegerekend omdat naar het oordeel van het Hof dat tijdsverloop het gevolg is van het feit dat A de Inspecteur onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Na aftrek van de aan belanghebbenden toe te rekenen behandelingsduur was naar het oordeel van het Hof de redelijke behandelingsduur van twee jaar in eerste aanleg niet overschreden. De Hoge Raad maakt daar korte metten mee: voor de beoordeling van het recht op vergoeding van immateriële schade is niet van belang of een belanghebbende al dan niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen.

Recht op schadevergoeding en verzoek

De rechtbank of het gerechtshof hoeven niet ambtshalve een schadevergoeding toe te kennen. Belanghebbende moet daarom om schadevergoeding verzoeken. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen verschillende situaties.

Redelijke termijn wordt tijdens behandeling overschreden of voorzienbaar na de behandeling.

Wanneer de redelijke termijn tijdens de behandeling al is overschreden,  kan het verzoek gedaan worden tot het onderzoek door de rechtbank of het gerechtshof is gesloten, dus uiterlijk tijdens de mondelinge behandeling. Dat geldt ook als de termijn tijdens de behandeling nog niet is overschreden, maar wel al duidelijk is dat de redelijke termijn wordt overschreden vanwege de wettelijke uitspraaktermijn van zes weken.

Redelijke termijn  wordt overschreden na verloop van de wettelijke uitspraaktermijn

Wanneer de redelijke behandeltermijn pas wordt overschreden doordat de rechtbank of het gerechtshof meer dan zes weken (wettelijke termijn) na het sluiten van het onderzoek wacht met de uitspraak, dan kan om heropening van het onderzoek worden gevraagd. Bij het heropende onderzoek kan alsnog het verzoek om schadevergoeding worden ingediend (eventueel aangevuld met een verzoek om vergoeding van materiële schade). Sowieso moet de rechter in deze situatie ambtshalve de redelijke termijn beoordelen (dus zonder verzoek daartoe en zonder heropening), maar de rechter beperkt zich dan tot die specifieke schadevergoeding.

Verzoek om schadevergoeding voor het eerst in hoger beroep

In dit geval beoordeelt het gerechtshof de overschrijding van de redelijke termijn aan de hand van de duur van de totale procedure tot en met het Hof. Een snelle behandeling van het hoger beroep kan er dan toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd.

Verzoek om schadevergoeding niet voor het eerst in cassatie

Een verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de duur van de fase van bezwaar en beroep en de fase van hoger beroep kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. Bij de Hoge Raad kan wel een verzoek om schadevergoeding worden gedaan wegens de lange duur van de cassatieprocedure.

Als de redelijke behandeltermijn wordt overschreden, bestaat recht op schadevergoeding. Dit geldt ook als belanghebbende door de rechter in het ongelijk wordt gesteld. Naast de schadevergoeding bestaat dan ook recht op vergoeding van griffierechten en proceskostenvergoeding.

Hoogte van de schadevergoeding

Het uitgangspunt van de schadevergoeding is € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Bij verschillende zaken van belanghebbende die over hetzelfde onderwerp gaan, wordt maar één keer € 500 per half jaar toegekend (en dus niet € 500 per half jaar per procedure). De vergoeding wordt ook toegekend als deze hoger is dan het belastingbedrag waarop het geschil betrekking heeft. Als sprake is van een zeer gering financieel belang kan hierop een uitzondering worden gemaakt en geen schadevergoeding worden toegekend. Als wordt geprocedeerd tegen beter weten zou het zo kunnen zijn dat de jurisprudentie rond artikel 6 EVRM voor de rechter ruimte biedt om van schadevergoeding af te zien. Zie echter de situatie dat belanghebbende de bezwaartermijn overschrijdt en pas na 44 maanden definitief hoort dat hij (kennelijk) niet ontvankelijk is. Deze situatie wordt aan het slot van het artikel belicht.

Iedere belanghebbende heeft zelfstandig recht op schadevergoeding. Ook een rechtspersoon kan recht hebben op schadevergoeding. Als verschillende belanghebbenden samen een procedure voeren of er zaken van verschillende belanghebbende gezamenlijk worden behandeld, kan dit wel reden zijn om de schadevergoeding te matigen

Vermindering van de boete  bij overschrijding van de redelijke behandeltermijn

Is aan belanghebbende ook een boete opgelegd, dan leidt overschrijding van de redelijke termijn tot vermindering van de boete. De Hoge Raad heeft een aantal regels gegeven over de hoogte van de vermindering van de boete.


De boete wordt met 5% verminderd als de redelijke termijn met minder dan zes maanden is overschreden en met 10% als de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De absolute vermindering bedraagt maximaal € 2.500 en boetes van € 1.000 worden niet verminderd. Bij overschrijding van de termijn met meer dan twaalf maanden gelden deze regels niet en moet naar “bevind van zaken” worden gehandeld.

Betaling van de schadevergoeding

De Belastingdienst kan de schadevergoeding verrekenen met openstaande belastingschulden. Wanneer die er niet zijn dan zal de schadevergoeding binnen vier weken na openbaarmaking van de uitspraak betaald moeten worden. Gebeurt dat niet dan moet de Belastingdienst de wettelijke rente vergoeden vanaf de dag dat die vier weken zijn verstreken.

In het geval de rechterlijke instantie de oorzaak is van de vertraging, dan zal de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie) schadeplichtig zijn.

Overschrijding redelijke behandeltermijn bij verklaring kennelijk niet-ontvankelijk

In situaties dat verwijtbaar te laat bezwaar wordt gemaakt zal de Belastingdienst het bezwaar in beginsel niet-ontvankelijk verklaren. Horen kan dan achterwege blijven. Een daaropvolgend beroep zal in beginsel ook niet-ontvankelijk zijn. Op het moment van schrijven van dit artikel behandelt de Hoge Raad de vraag of zo’n beroep door de rechtbank wel ontvangen moet worden voor zover het gaat om de (schadevergoeding wegens) overschrijding van de redelijke behandeltermijn, zodat de rechtbank onderzoek moet doen naar de behandeltermijn in de bezwaarfase. A-G IJzerman beantwoord die vraag in zijn conclusie bij die procedure (zie geraadpleegd) bevestigend. In die casus gaat het om een behandeltermijn van 44 maanden, gerekend van ontvangst van het bezwaarschrift tot uiteindelijke uitspraak van de rechtbank.

Van belang was dat belanghebbende wel tijdig bij de rechtbank, zij het in een verzetsprocedure, een verzoek om beoordeling van de redelijke behandeltermijn had gedaan. Wordt vervolgd………

Dit artikel van mijn hand is eerder verschenen in het Fiscaal Praktijkblad.